De Ariaanse wandelingen, deel 1

 Ariaanse wandelingen | Arian walks | Rié Aria
| door: Rico Devers

Deel 1. De vlucht uit het laatste bos

In het laatste bos was het groen vergaan. De rook daalde neer als een spookgordijn, verhulde alles dat eens betekenis had. De geur van hars was vervlogen. Er ratelden geweren. Hier en daar vielen bommen. Bladeren knisperden in de hitte. Het was donker, zwart, het zwartste zwart. De zon was verbleekt, de hemel asgrauw. Er vielen deeltjes als versteende tranen. Vervlogen herinneringen aan een groen verleden. Toen alles bloeide en geluk nog alledaags was. Het kleine geluk. Toen er welvaart heerste. Maar de angst en het kwaad hadden meester gemaakt van het land. Was als inkt tussen de kleinste kieren en naden gekropen en had alles onleesbaar gemaakt. De betekenis verloren. Daar dwaalde ik door het bos, het laatste in zijn soort. Maar de meeste bomen hadden hun bladeren afgegeven en staken af tegen de vergruisde hemel. Louter het groen van sommige sparren braken het grauw nog hier en daar. Ik hoorde een zacht geruis. Op de achtergrond verzamelde het water in een kleine stroom dat door een diepe door de jaren uitgesleten dal stroomde. Eerst meanderde de rivier nog volop. Het heldere, zuivere, water dat een thuis bood aan vele vissen, waterplanten, de ijsvogels en de bootsmannetjes. De zwaluwen in het riet en hun nest in de zandige wallen. Maar van dat was niets meer over. Alleen nog de herinnering.

Ik doorkruiste een kleine houtwal dat de eenzame rivier van een veld scheidde. Nevelbanken gleden over het gras en de verderop gelegen heide. Ik stapte richting de dikke witte mist. Merkte op dat alles die kant op wees. De mieren liepen zelfverzekerd in een vrijwel recht pad naar de witte diepte in de verte. Wiekslagen van vogels die in het ongewisse wit echoden. Kevers, salamanders, zelf een hert die de jacht overleefd had liepen behendig richting de witte muur. Aardstralen trilden ondergronds. Wolkenpluimen verdwenen erin. Ik wist, ik voelde dat dit de juiste plek was. De laatste bestemming van het leven hier op aard. En met mij volgden velen. Ik hoorde hun voetstappen kraken in het dorre veld. Voorzichtig voelde ik op mijn borst. Het kleine kokertje aan het gevlochten kettinkje hing er nog. Enkele dagen vond ik het in het zand vlak bij huis. Het bevatte een kaart, die na enig ontcijferen, een weg toonde naar hier. Hoewel de kaart niet vertelde wat de uiteindelijke bestemming was voelde ik diep in mijn hart, mijn ziel, dat dit de juiste weg was. Veel meer keuze was er ook niet: blijven op deze verloren oorlogswereld, of weggaan naar het onbekende. De keuze was eenvoudig geweest. Ik keek om en tuurde in de verte. De nevelbanken sloegen om zich heen en verhulden de wereld die ik achterliet. Wetende dat er geen weg terug was. Tussen de mist zag ik gezichten. Enkele met angst, sommige met verdriet, maar ook enkele die pure rust en vrede uitstraalden. Iedereen kende de nare verhalen van de dichte mist die over de laatste velden krulde en mensen en dieren tot zich nam en ze nooit meer terug liet keren. Hele kuddes vee en zelfs de bewoners van een volledig dorp waren door de mist opgeslokt en nooit meer terug gezien. Maar zelfs dat gevaar, die onzekerheid, was het waard. Alles beter dan blijven. Mijn ogen werden vochtig, ze deden pijn van het turen in de verte: de zwarte horizon die langzaam verdween. Nog enkele stappen en er was niets meer van te zien. Ik draaide mijn hoofd en liep resoluut verder. Ik voelde door mijn schoenen het landschap veranderen. Het gras en de heide bevroor. Ik hoorde het knappen onder het gewicht van mijn voeten. Het werd beduidend kouder. Langzaam verdween de vegetatie onder mijn voeten. De grond werd vlak. Ik keek voor mij uit. Een bijna ondoordringbare muur van wit ontnam het zicht. Als ik mijn hand uitstak was mijn elleboog niet eens meer te zien. Hier en daar was een donkere vlek van een schaduw te onderscheiden, of een doffe lichtbaken die door de mist wist te dringen. Ik ademde zwaar. De lucht leek dikker te worden, maar tegelijkertijd meer zuurstof te bevatten. De stank van brandend rubber en verschroeide lijken verdween uit mijn neus. Ik keek weer naar de grond en probeerde mij te oriënteren. Het zand was verdwenen onder een dun laagje ijs. Flinterdun. Opeens voelde ik een schok door mijn lichaam. Ik wankelde en stapte naar achteren. Nog een schok, het ijs kraakte. Een moment dacht ik dat de dunne laag onder mij het begaf. Ik wilde terug lopen, maar iets weerhield mij daarvan. Er klonk gekoer en gekras in de verte. Het geluid van een uil. Weifelend schuifelde ik over het ijs. Ik voelde iets aan mijn lichaam trekken. Iets uit de lucht. Alsof er onzichtbare draden uit de hemel neder daalden, zich aan mij ketenden en omhoog probeerden te trekken. Mijn lichaam leek al het gewicht te verliezen. Ik voelde zelfs de grond onder mijn voeten niet meer, alsof ik liep op een laagje lucht. De vaste grond onder het ijs verdween in een peilloze zwarte diepte dat kolkte. Een gevoel van angst vulde mijn hart. Het ijs was zo dun dat je er zo doorheen kon breken. Wat als de mensen hier waren verdwenen, omdat ze door het ijs waren gezakt en waren verdronken. Wat dan? Ik piekerde en zette nog kleinere stapjes. Het uilengekras werd harder. De mist trok op en vormde een koepel boven mijn hoofd. Voor het eerst kon ik verder kijken. Diepzwarte wakken onthulden zich. Abrupt stond ik stil, minutenlang. Ik luisterde naar de geluiden onder mij. Het leken paniekerige kreten. Alsof er mensen onder het ijs vastzaten in het pikzwarte kolkende water. Plotseling voelde ik een vertrouwde hand op mijn schouder. Cor keek me betekenisvol aan. “We hebben wel voor ergere vuren gestaan vriend”, zei hij en liep voor me uit. Ik volgde hem met mijn ogen, totdat hij bijna aan het zicht was onttrokken. Toen hij verdwenen was sloeg de angst me wederom om het hart. Ik begon te rennen over het gladde ijs. Het glas knisperde en schitterde, maar weerhield de last. Toen ik mijn kameraad weer in het vizier had begon ik langzamer te lopen. De draden die mij droegen lieten me gaan. Ik voelde de ondergrond weer. Het aantal wakken verminderde. Het ijs werd wat dikker. De peilloze diepte verdween. De mistbanken losten op en toonden een enorme grauwe schaduw in de verte. De textuur onder mijn voeten veranderde. Het gladde ijs ging over in korrelig sneeuw. Het knarste onder mijn voeten. Ik bukte en voelde met mijn handen de koude sneeuw om te controleren of het wel echt was. Waar was ik? De schaduw in de verte begon duidelijker te worden. Contouren van een bergmassief tekenden zich af in het wit. Geluiden van stemmen stegen op. Stemmen van een winkelstraat, dichtbij maar toch ver weg. De schaduw kreeg vorm en textuur. Ik zag nu duidelijk de rots-gravures en steen. Metershoog staken ze uit boven het grondoppervlak. Wonderlijk! Boomgestalten verschenen als wachters van de berg. En enkele meters voor mij was iets opmerkelijks te vinden. Aan de voet van de berg was een holte, als de ingang van een grot. Maar nu was de opening afgedicht met een metershoge poort van massief eiken en zilver beslag. Met open mond keek ik naar de prachtige doch eenvoudige deur. De stemmen erachter klonken luid. Gelach en gemompel. Er keek een nieuwsgierig oog door een kier. Samen met Cor stond ik ademloos voor de massieve poort. Ook de mensen, die achter mij liepen, stonden muisstil naar de poort te kijken, alsof we er nog nooit een hadden gezien. Maar het klopte simpelweg niet. Waar wij woonden was geen gebergte, laat staan een eiken poort. Ik wreef in mijn ogen en kneep in mijn gezicht. Ik was wakker, maar alles leek erg onecht. Plotseling klonk er een dof geluid achter de deur, gevolgd door het gekras van tegen elkaar wrijvend metaal. Met veel kabaal werd een slot van de deur geschoven. Een dof licht van kaarsen onthulde een kleine gang met vele deuren. Een oude man met een keurig geknipte baard kwam lachend op ons af. “Welkom in Arinn”, riep hij in allerlei verschillende talen. Het bleef muisstil. “Waar komt u vandaan”, zei de man. Iemand van ons antwoorde. De man lachte breeduit. “Nederland dus. Dat maakt het praten een stuk gemakkelijker. Ik kom zelf ook uit Nederland weet u.” De man knipoogde en stak vervolgens zijn handen uit. “Maar kom snel verder, blijf vooral niet in de kou staan. Binnen is het lekker warm. Het haardvuur brand en er is net thee gezet. Of hebt u toch liever koffie, dat kan ook hoor. Kom snel verder.” Ik knikte en wist een klein lachje op mijn gezicht te toveren. De man leidde ons door een wirwar van gangen naar een grote ontvangsthal. Ik snoof de geur van verse munt en koffiebonen op. Een vrouw gekleed in een spierwitte japon wuifde en wees naar de koffietafel. Er stond een grote kan met daarop een vreemd woord gegrift. Ik pakte de kan en schonk dankbaar een kop koffie in. Het was diepzwart en rook geweldig. Koffie, zoals ik al tijden niet meer had geproefd. Ik ging bij de anderen staan. Een vrouw met een kind keek met grote ogen rond, het kind verscholen in haar jurk. Nog steeds leek alles onwerkelijk, als in een droom. Vanochtend liep ik nog door het verschroeide bos, en nu. Nu was ik hier. Ik keek de zaal rond. De muren bestonden uit grote gestapelde keien en rots. Het plafond was spierwit, met een rijkelijk versierde plint. De wanden waren bedekt met grote kunstwerken van vergezichten. Steden, die ik nog nooit had gezien. Ze leken zo uit een droom geschilderd te zijn. De oude man kwam bij ons staan. “Ik denk dat ik u eerst wat uitleg verschuldigd ben. U zult waarschijnlijk wel willen weten waar u bent en hoe u hier gekomen bent, niet? “ Ik knikte hevig. “Wel”, zei de man. “Een lange tijd terug is er door onze pioniers een ruimte gecreëerd, die diende als onderduikadres tijdens de oorlog. U bevindt zich nu in deze ruimte. En het is groter dan u zich kunt voorstellen. Deze ruimte of eigenlijk deze wereld draagt de naam Arinn.” De man zweeg even om de woorden tot iedereen door te laten dringen. “De pioniers, onze eerste vinders, hebben veel werk gehad om de ruimte te laten groeien om zo plaats te maken voor iedereen. Het doel is om in de toekomst alle goede zielen op aarde hier naar toe te begeleiden, opdat ze weer kunnen leven zoals ze dat vroeger deden, in vrede.” De man boog zijn hoofd en zweeg weer even. Een moment zag ik een zweem van verdriet. “Het klinkt wellicht allemaal heel vreemd en onwerkelijk, maar alles zal mettertijd duidelijk worden. Alles dat u moet weten over deze ruimte zal u bijgebracht worden.” De man keek de groep rond. Alleen maar berustende gezichten, alsof er een zware last van ieders schouder af viel. Ook ik voelde me beter, al was ik nieuwsgierig naar meer. Nog steeds niet overtuigd van het feit dat dit geen droom was. “Maar niet vandaag”, ging de man verder. “Vandaag heeft u al genoeg gedaan. U zult waarschijnlijk moe zijn van de tocht en de indrukken die u heeft opgedaan. Daarom zal ik u naar uw verblijf brengen. Het is een tijdelijk verblijf, totdat u een plek gevonden heeft waar u uzelf wilt settelen.” De man klopte op de deur en een aantal andere mannen verschenen om de mensen naar hun kamers te begeleiden. Ik besloot samen met Cor een kamer te delen. Elkaar was namelijk alles wat we nog hadden. We volgden een man, die met grote passen door de gangen liep. Hoe verder we in het gebouw kwamen, hoe breder en lichter de gangen werden. Ik probeerde door de ramen naar buiten te kijken, maar we liepen zo snel dat ik louter schimmen kon onderscheiden. De man stopte bij kamer nummer zevenhonderdelf. Hij opende de deur met een ouderwetse ijzeren sleutel, en gaf deze aan ons. Toen knikte hij en snelde weer weg door de gang. We werden aangekeken door een groep mensen, die waarschijnlijk ook een kamer aan deze gang hadden. Enkele bogen door hun knieën en heetten ons welkom. Ik dankte hen en trad de kamer binnen. Het was groter dan ik had verwacht. De volledig wit geplamuurde kamer had een open woonkamer met twee sofa’s, een open keuken met een eettafel voor vier personen en een leeshoek. Aan beide zijden van de kamer waren deuren te vinden die leidden naar twee slaapkamers, een badkamer en een kleine opslag. Ik liep de slaapkamer in en liet mij op het bed ploffen. Een enorme vermoeidheid overmande mij. Het duurde niet lang of ik viel in een diepe slaap, gevuld met vele dromen over de vreselijke oorlog die ik achter me had gelaten en de wonderlijke wereld achter de nevel, maar tegelijk een schuldgevoel. Een gevoel dat ik iedereen die nog op de aarde in de oorlog moeten leven in de steek had gelaten.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *