Ik heb het verleden verbrand

Ik heb het verleden verbrand.
In de assen las ik oude waarheden
en een realiteit die al lang
onwerkelijk is.
De rook nestelde in mijn haar
en ik vergat wie er toen sprak,
de verhalen die vandaag
nutteloos geworden zijn.
Ik zag de vlammen groeien.
Een vergeelde bladzijde werd verteerd
enn wat ik te lang vasthield
schroeide uit mijn hand.

Ik heb het verleden verbrand.
Kijk nu in de assen waar niets nog
iets is, waar een deel van mezelf
stierf. Het is goed zo, het is
beter zo.

Ik ben

Ik ben

een vlinder waarvan de
de vleugels nog in de
papieren pop kleven

een herfstblad dat
nog niet doorheeft dat
het moet vallen

een autobestuurder die
een stopbord als iets
permanents bekijkt

Blanco

Terwijl jij vervaagt tot iets dat amper
op het puntje van de tong ligt,
vervaagt er iets binnenin mij.
Ik kan er moeilijk de vinger opleggen,
maar ik weet dat jij geschreven wordt,
lijn per lijn.
Terwijl je zelf het schrijven
bent verleerd.

Naar jou kijken is als
een te sterke bril op je neus,
de scherpte gaat er af en
je staat er zelf van te kijken.
Woorden zijn slechts klanken,
knikken en knikkende knieën.
Hoongelach maar dan van jezelf,
wie ben je eigenlijk nog?
Je schouders gaan omhoog,
je mondhoeken naar beneden en
triest zit je te lachen.

Naar jou kijken is als
door een verrekijker loeren,
objects in the mirror are further
than they appear, voorzichtig rijden dus.
Had je maar een spiekbriefje
met alle antwoorden op,
voor ons. Maar,
je bent het schrijven al lang verleerd.

Sneakers en een rokje

Het begon met
stemmen die riepen
dat ze een stem hadden,
en er luidkeels
genoeg van hadden.
De vergelijking klopt niet,
wat kleiner is dan,
moet gelijk zijn aan.
Dit is meer dan vrouwenlogica.

Eeuwenlang slechts een
object, niet meer
dan een bruidschat.
Wat koeien en de deal was gesloten.
Eigendom, als vee op een
veiling. Liever groene
blaadjes dan gedroogde
bloemen, hoewel een M.I.L.F.
ook nog wel lekker is.

Jong geleerd is oud gedaan,
tot jong het oud worden verleert,
of liever nooit oud wordt.
Studeren kan dan wel, maar
let wel op voor structureel naakt.
De opgelegde schaamte zou
plaatsvervangend moeten zijn,
toon medeleven voor kleppendragers,
zij moeten nog evolueren.

Alles wordt contractueel in twee-
voud gemeten en gewogen,
het is zwart-wit, blauw-roze.
Kinderen leren oppervlakkigheid,
maar oordelen is veroordelen.
Slutshaming, bodyshaming,
tel jij de zelfmoorden?
Steek die vinger weg,
maakt echt niet uit waar.

Ik ben de gezellige dikkerd,
maar vergeet dat ontbijt.
Ik ben een vrouw, niet je slaaf
en denk maar niet dat ik
met je vrij
zonder jouw respect.
Nee, ik ben niet blij dat je me
‘tenminste aandacht gaf.’
ik hoef je fatfetisj niet.

De nieuwe golf
en ze zijn ons al beu,
want als dit mag dat ook en
als dat niet hoort, net hetzelfde.
Jullie kwijlen al eeuwen,
wij beginnen pas! Ons verlangen
is zogenaamd ongepast maar
schrik niet, perversie staat niet
onder mannelijk patent.

Het vrouwelijk lichaam
is geen verzinsel, er is niks
te breken behalve het
mannelijk ego. Eeuwen
bewijzen een sterk
geslacht, maar wat ooit
werd verworven lijkt wel
wegwerp. Laat ons stilstaan,
maar daarna wel verdergaan.

Vergeet dat braaf in
het hoekje kruipen, preek
want niemand is
relativeerbaar, kleineerbaar,
man of vrouw, soms is het
gewoon onaanvaardbaar.
Zullen we toch maar ja-knikken?
Ik stik liever dan
die onzin te slikken!

Zal ik, als ik oud en krom,
nog koppiger ben, hetzelfde
moeten herhalen? Word ik die oude zeur
met haar verbeten idealen
en zal dit gedicht op mijn
arm getatoeëerd verlept geraken?
Wordt er ooit geluisterd naar mijn stem
die roept? Of blijft het altijd
maar vrouwenlogica?

Het Grote Gelijk

We zien je daar wel staan,
op een krakkemikkige, houten
toren met drie steunpilaren
heen en weer zwalkend in de
ijle lucht. Als in een schaakspel
raas je vooruit, je wijkt niet en
zeker niet van standpunt.
Stampvoetend als een klein kind
verplicht je tot luisteren.

Dus we luisteren, onze oren
zijn volledig ter uwer beschikking,
maar bij wie-dan-ook
denk maar niet dat we niet denken!
Elk woord wordt gekauwd, herkauwd,
ingeslikt of uitgespuwd.
De grond ligt bezaaid met rochels die
voor jou meer betekenen dan voor ons,
maar blijf vooral doorgaan.

Want hoe langer je bazelt,
hoe meer luisteraars hun oren sluiten.
We kijken naar je op, maar pas op,
hoogmoed komt voor de val.
En daar heb je het al!
Het publiek moppert, een dappere
schraapt zijn keel, stilte.
De schraper begint een tegenargument,
jouw mond valt open.

De spanning is te snijden,
er wordt op reactie gewacht,
maar je kauwt zo op je woorden dat
je er bijna in stikt. Je slikt.
Je opent toch maar je mond en
het wordt een kaatsspel,
een potje tafeltennis
met als inzet het grote gelijk,
een knieval van de tegenpartij.

We kijken toe hoe jullie
onschuldig gekibbel uitgroeit
tot een gruwelijk vervelend
welles-nietesspelletje.
Als een stel kleuters die
hun zin niet krijgen,
als honden die
de baas willen blijven,
beginnen jullie te bijten.

Omstaanders beginnen bij te vallen,
het wordt heftiger, harder, vettiger,
tot iemand begint te schelden.
De persoonlijke aanval als
laatste hoop, want de schokfactor
zorgt voor een betere discussie, toch?
Zij die niet participeren worden onrustig,
ze fluisteren, mompelen tegen elkaar
dat de rest onbeschoft is en vooral

ongelijk heeft. De meningen doen er
al lang niet meer toe, want niemand
weet nog waar ie het over heeft.
Iedereen waant zich koning terwijl
de anderen hun vazallen zijn,
boeren die niets beter weten dan
graaien in stront en ja knikken,
wat sommigen met plezier doen.
Ja, meester. U heeft gelijk, meester.

Maar niemand merkt de schaduw
die langs de derde pilaar omhoog
klimt. De rebel, de waarheidszoeker,
de vigilante die er genoeg van heeft.
Hij of zij die nee knikt en liever niet
het hoofd in de grond steekt. Hij
of zij die bezint eer die begint en
de waarde van een ander niet
verlaagt. De dichter, de dromer,

de perfectionist. En we zien hem
 of haar plots staan, op een
toren in de ijle lucht. Hij of zij
kalmeert het publiek en ze luisteren.
Ze denken en bedenken zich,
want wie zegt dat hun mening beter
is dan die van een tegenstander.
De dichter, de dromer, hij of
zij wordt wakker.