Bestuivende stadsnarcis

Bestuivende stadsnarcis,

Op een werkdag waarin de passagiers

al in de ochtendregen

uitkijken naar het uitgaan van de kantoren,

stromen de putjes langs de straten over

met stukjes uit de stadsriolen.

Een vrouw met een kapotgewaaide parapluie

loopt haar haren beschuttend met haar handen

langs etalages met gebruikte zomerkleding.

Over de trappen van het metrostation,

cascadeert de rioolregen, als een verlate, zich haastende passagier,

naar de platformen er beneden.

De geschiedenis herhaalt zich als

een immer voortrazende metro,

met een machinist die op tijd thuis had willen zijn.

Achter in de kelen van de ochtendstemmen,

frazelen de bielzen de komst

van het bonkend ritmisch gekeuvel

van een te laat zijn en een te vroege ochtend.

Voortgaan op de reservetank

Frele is het goeie woord niet.

Collectief dragen van wat een fragiel construct is

van collectief beleefde uitstellen-

belated forms of deception.

De ander herkent het tegend langzame ritme van de stad

en uit een pieteit van herkenning, laat je er iemand zitten

die nog stond.

Zoals de spoorbaan

daar schellend de tram

laat snijden als een handbeweging,

door de straat

als een afwijzing

van je bestaan.

Het kromt een meter verder

naar mijzelf toe als een streling van een vinger.

Zo om de gang en de bochten.

Een middelvinger “fuck you.”

De hoer, die de stad is.

Haar porceleinen borsten

kraken in mijn kauwen

als ik om de hoek verdwijn.

Ze vermaakt me uit verveling.

Speelt met me als een kat met haar rat.

Hier woont de liefde”, leest een grafitti op de muur.

Dan als ik opsta

en de schrijvers van de stad

op het tramraam kladden,,

loop ik al over de rails naar de trappen.

Daar sluiten de tramdeuren zich

met een suizend zuchten

dat een opluchting verraad.

Ik zit nu terwijl ik net nog stond,

slingerend aan de handgrepen

die als werkstraffen naarbeneden bungelden.

Bij het volgende perron

klapt ook mijn parapluie open,

als een kotsende narcis

bedruipt ze mij met het nectar

van een nog niet verwelkte winterdag.

Kermend hout

Kermend hout

De zilte gure wind,

zij trekt aan de plankieren.

De nerven in het hout

verraden jaren van zuchtend trekken

in de naden

waar de wind stil hield

en was uitgezucht.

In de kieren,

klaar voor opnieuw een adem, de spanten in.

Waar zij haar rust vond.

Zij zuchten de herinnering aan stormen van toen,

de houten wachters boven de hanebalken.

Zij ademen de stormen

van nachtenlang gepeins.

Van het wachten van de uil in de boom

in de wei

achter het vaderhuis.

Daar waar de wind haar rust hield.

Daar werd ze een gemoedelijke vriendin.

Die exhalerend

haar nagels lakt,

haar klauwen scherpt

aan de bast van de eik.

Haar schreeuwen stelpt

aan de roep van een vogel.

Daarom is de storm

een vrouw.

Zij is de moeder

van al het kermend hout!

Renk van Oyen, 7 juni 2017